Het is nog steeds zonnig maar er zit al wat kou in de lucht van de naderende winter. Wolken jagen in de meest uiteenlopende vormen langs de blauwe hemel. Ik hou van dit weer. Ik hou van de verandering die het aankondigt. De belofte van een ander seizoen. Misschien is dat ook wel waar ik het meeste naar verlang, verandering. Weg uit dit dorp en weg uit dit bouwval. Ik wil op weg naar grotere dingen, al weet ik nog niet welke.
Een weekend thuis is dan ook twee dagen van mixed feelings. Aan de ene kant is het een verademing om even twee dagen verlost te zijn van alles dat met school te maken heeft. Even geen gefluister en gewijs, geen dictatoriaal regime of het ongevraagde gezelschap van Mug. Aan de andere kant voelt het leven hier steeds meer als een verstikkend keurslijf waarin mijn liefde voor mijn oma steeds moeilijker mijn ergernis over mijn vader compenseert.
Omi had me geamuseerd aangekeken toen ik had aangeboden om mijn vader koffie te brengen, maar to her credit, heeft ze er verder niets over gezegd. Ik slalom langs de vele vervallen, verroeste en ontplofte “uitvindingen” naar de schuur, pardon… laboratorium op mijn halfjaarlijkse, tot mislukken gedoemde, missie iets over mijn moeder te weten te komen. Dingen die alleen mijn vader weet.
Daar sta ik met een dampende mok in mijn handen. Geen nieuwerwetse cappuccino-latte-macchiato-americano-nonsens maar gewone slobberkoffie, net als vroeger. Iets beters is ook niet aan hem besteed. Mijn vader heeft geen enkel gevoel voor kwaliteit en dat beperkt zich niet tot zijn koffie, daarvoor hoef je alleen maar even in zijn “laboratorium” rond te kijken. Ondanks de enorme omvang van de ruimte staan er maar twee meubelstukken in. Een gigantische vooroorlogse werkbank, volgestouwd met vijlen, soldeerbouten, hamers, spijkers, schroeven, moeren, printplaten en meetinstrumenten, en daarvoor een bureaustoel waarvan de oorspronkelijke kleur niet meer te herkennen is vanwege alle vuile, vette, handafdrukken die er op zijn gedrukt. De ruimte er omheen is volgestouwd met ontelbare half-voltooide apparaten, waarvan niemand weet waar ze voor moeten dienen.
Als hij me aan hoort komen, kijkt hij verbaasd op.
‘Donderkop… Is er iets met oma?’
‘Eh nee, ik dacht…’
‘Lief van je, zet hier maar neer.’
Als ik tot zijn verbazing niet omdraai om te vertrekken, vervolgt hij weifelend.
‘En… eh… hoe was school deze week?’
‘Mmm,’ antwoord ik op de onverschillige toon die ik speciaal voor mijn vader heb ontwikkeld.
‘De mooiste tijd van je leven Donderkop, de mooiste tijd, maar je moet natuurlijk niet uit het oog verliezen waarom je er bent…’
Ik reageer niet. Ik weet wat er gaat komen.
‘Je bent er om te leren, Daan.’ zegt hij, nu bijna helemaal onverstaanbaar omdat zijn halve wijsvinger in een neusgat verdwijnt, ‘maar je moet niet dezelfde fouten maken als ik. Jij bent beter dan… ah… ja… hebbes!’ Zijn vinger komt weer tevoorschijn.
‘Aaah, pap, alsjeblieft, dat is té smerig.’
Soms kan ik me niet voorstellen dat ik zijn dochter ben. Deze man in zijn rolstoel is wanstaltelijk , vies en ongemanierd. Ik ben zelf geen sociaal wonder, maar met hem vergeleken ben ik Florence Nightingale. Maar vandaag ben ik vastbesloten. I’m on a mission. Ik vergeet dus de vinger in zijn neus, slik mijn walging weg en wacht op het juiste moment.
Hij draait zich bij me vandaan om de mok van zijn werkbank te pakken. Damp kringelt omhoog. Voorzichtig blaast hij erin. Hij lijkt kleiner, zo ineengedoken in zijn rolstoel. Een vleugellam vogeltje dat uit zijn nest is gevallen en verkeerd terecht is gekomen. Opeens overvalt me een enorme weemoed. Ik slik.
‘O, ben je er nog Donderkop, ik dacht dat…’
Ik zie hem zijn rug weer rechten in een poging om zijn kwetsbaarheid te verbloemen. Ik moet snel zijn, anders zit hij weer potdicht.
‘Doet het geen pijn, pap?’ Even kijkt hij me verbaasd aan.
‘Wat Donderkop?’
‘Nou ja, je benen.’
Ik weet niet wat ik op zijn gezicht lees, maar zijn stem is onverwacht zacht als hij antwoordt.
‘Nee hoor, Daan, dat valt erg mee. Ik voel al heel lang niets meer in mijn benen. Het is mijn rug die me het meeste last bezorgt…’ Hij kijkt me daarbij zo kwetsbaar aan dat ik even van mijn stuk ben gebracht.
‘O… ja… dat zal ook wel… maar… maar… vind je het niet erg?’
‘Valt mee te leven, valt mee te leven. Iedereen heeft wel wat.’
Ik moet opschieten. Hij sluit zich alweer af. Ik moet nu de goede vraag stellen. De goede vraag op de goede toon.
‘Heeft mama je ooit in een rolstoel gezien?’
Ik weet het al voordat ik zijn gezicht zie betrekken; stomme vraag.
‘Je moeder had niet zoveel met onvolkomenheden, Donderkop.’
En dicht is hij weer. Alle zachtheid is uit zijn gezicht verdwenen. Stuurs blaast hij nog een keer in de koffie die allang koud is en draait bij me vandaan. Ergens tussen zijn gereedschap vindt hij een koekje dat er heel oud en smerig uitziet, doopt het in zijn mok, steekt het zacht geworden deel in zijn mond waarbij een druppel langs zijn kin rolt.
‘Wat ben je toch een viezerik, ouwe. Voortaan ga je zelf je koffie maar halen.’
‘Wat je wilt, Donderkop,’ zegt hij binnensmonds.
We zijn weer op bekend terrein. We doen het al jaren zo, maar toch knaagt het aan me. Even hadden we iets anders. Heel even maar, maar in dat kleine moment voelde ik hoezeer ik dat gemist heb al die jaren. Niets aan te doen, we zitten allebei weer in onze loopgraven en daar zullen we voorlopig ook wel niet uit komen. Ik vertrek.
‘O ja, toen je nog in bed lag, was er iemand voor je aan de deur. Ik heb hem proberen weg te jagen, maar Omi heeft gezegd dat hij over twee uur terug kon komen. Dat je het weet.’