Geen bel, geen zoemer, geen schreeuwende docent te horen en toch stroomt het plein langs de randen leeg de school in alsof er een onhoorbaar bevel is gegeven. Ik stroom zo onzichtbaar mogelijk mee en kijk mijn ogen uit.
Deze school is niet echt wat je noemt… een school, tenminste, niet als mijn oude school in ons dorp: ooit nieuwbouw en toen al niet mooi, nu oudbouw en nog steeds niet mooi. Nee, deze school is een soort kruising tussen een kerker en een kathedraal. De muren, vloer en plafond zijn opgetrokken uit gladde glimmende bakstenen, die zo donker zijn dat ze zwart lijken. De ramen zijn niet meer dan smalle, horizontale spleten, die strak tegen het plafond zijn geplaatst, minimaal drie en een halve meter boven de grond. Het effect is dat je je meters diep onder de grond waant en het gedempte licht versterkt dat gevoel alleen maar. Verder is er niets moderns te bekennen, nog geen stopcontact. Je loopt bij wijze van spreken zo het verleden in. Ondanks mezelf begin ik een beetje gebogen te lopen. Ik ben meer onder de indruk dan ik wil toegeven.
Onzichtbaar blijven is voorlopig mijn grootste ambitie. Voor mij dus geen gloednieuwe strakgespannen schooltas die schreeuwt ‘IK BEN NIEUW HIER’, zoals die bolle op het plein. Mijn rugtas, die ik alleen heb gevuld met het hoogstnoodzakelijke, is zo extreem oud dat hij al bijna weer in de mode is. Haha, nee, niet echt, maar dat kan me niets schelen. Net zomin dat het me iets kan schelen dat hij vol gaten zit en te smerig om aan te raken. Het is het enige wat ik al die jaren van mijn moeder heb weten te vinden en dat is meer waard dan wat ook.
Zo daar gaan we, eerst naar de conciërge om me te melden, daarna Engels. Vooruit, daar ga je Donderkop. Het begin van de rest van je leven.
BOEM.
Voordat ik door heb wat er gebeurt, lig ik op de grond, vol geraakt door een leerling die zeker twee jaar hoger zit dan ik en minstens vier keer zo groot is.
‘Aan de kant, kakkerlak! Zie je niet dat ik erdoor moet?’ gromt hij wanneer hij over me heen stapt. Zijn enorme kaak lijkt rechtstreeks in zijn dubbelbrede schouderpartij over te gaan en zijn ogen, diep weggezakt onder dikke donkere wenkbrauwen, doen niet al te veel intelligentie vermoeden. Een holbewoner. Een soort kwaadaardige variant van Fred Flintstone, de hoofdpersoon uit de oude tekenfilmserie, die ik zoveel heb teruggezien op de aftandse cd-speler bij ons thuis. Maar, waar cartoon-Fred een sullige goedzak is, ziet zijn real life variant er vooral kwaadaardig en wreed uit. Iemand die eerst slaat en dan pas vragen stelt aan zijn bewusteloze slachtoffer. Voordat ik overeind kan kruipen, is hij alweer doorgelopen. Links en rechts schieten leerlingen aan de kant om hem vrije doorgang te verlenen. Die Fred Flintstone , heeft er de wind goed onder, denk ik wanneer ik overeind krabbel en mijn rugzak afklop.
Wanneer ik het “hok” van de conciërge nader, valt mijn mond open van verbazing. Die slome bolle van het plein staat er al. Hoe is hem dat gelukt? Hij beweegt superlangzaam en dat akkefietje met holbewoner Fred heeft kan me nauwelijks tijd gekost hebben.
Hij wordt te woord gestaan door een man die vriendelijk voorovergebogen naar hem luistert en die eruitziet alsof hij al twintig jaar met pensioen zou moeten zijn: lang, dun en volkomen kromgetrokken. Hij draagt een schone maar veel te vaak herstelde stofjas en een paar nog vaker opgepoetste schoenen. Zijn gezicht is een oerwoud van rimpels, sommige diep als ravijnen, maar tussen al die plooien en groeven glinsteren twee ondeugende ogen. Ik weet uit de schoolgids dat hij Willems heet en dat ik me op mijn eerste dag bij hem moet melden.
Als ik dichterbij kom, lijkt hun gesprek net afgelopen. In slow motion draait de jongen zich naar mij toe en begint met een veel hogere stem dan je zou verwachten tegen me te praten.
‘Hallo… jij… bent… ook… nieuw… hier… toch…?’ Ik kijk hem alleen maar aan. Zijn manier van praten is met niets te vergelijken. Een soort vloeiend stotteren. In de tijd die hij voor één zin nodig heeft, zou ik een boek kunnen lezen.
‘We… zitten… in… dezelfde… klas… hé,’ vult hij goedmoedig aan en klopt daarbij traag op zijn enorme boekentas.
‘Eh, ja, eh… dat zal wel.’
‘Leuk!’ En zonder een antwoord af te wachten, draait hij zich om en schuifelt de gang in.
‘Goedemorgen mejoffer Kwintens, u komt zich melden?’
Ik kijk verrast omhoog. De stem die uit het gerimpelde hoofd komt, heeft nauwelijks iets met een normale stem te maken. Hij klinkt gruizig, gerafeld en bekrast, alsof hij zijn hele leven lang tien sigaretten tegelijk opgestoken heeft.
‘Ja, eh, ja, ik heet Daan. Ik ben nieuw.’
‘Weet ik mejoffer Kwintens, weet ik. Het is mijn taak om dat te weten, maar ik ben blij dat u het ook weet. U kijkt helder genoeg uit uw ogen, maar dat had ik natuurlijk ook niet anders verwacht.’
‘O, nou, dat is mooi,’ antwoord ik weifelend, en als hij me aan blijft kijken zonder aanstalten te maken om iets te zeggen, ‘Ik moest me melden?’
Zijn gezicht barst open in een brede glimlach. ‘Een formaliteit uit vervlogen dagen mejoffer Kwintens; een welkomstwoord van de conciërge. Bij deze dus: Welkom!’ Enorme hoeveelheden rimpels trekt bij zijn mondhoeken omhoog.
‘Nou, ja… eh… bedankt… denk ik. En nu?’
‘Nu bent u op school, officieel en wel. Vanaf nu komt u nooit meer van ons af. U kunt door naar uw eerste les. Ik neem aan dat u uw rooster bij u heeft?’
‘Ja… in zekere zin.’
‘In zekere zin, hahaha. Uitstekend mejoffer Kwintens, uitstekend.’
Dan draait hij zich onverwacht vlot om en gaat hij zijn kantoortje binnen. Verbijsterd kijk ik naar de massief houten deur. Eerst stond hij buiten en nu staat hij binnen maar het deel waarin hij de deur opent, er doorheen stapt en weer dichttrekt, heb ik helemaal gemist. Snel draai ik me om, maar niemand van de langsstromende leerlingen, lijkt iets bijzonders gezien te hebben. Nee, het kan ook niet. Je begint te malen Donderkop, mompel ik tegen mezelf en begin snel naar het lokaal van mijn eerste les te lopen.
Het gesprek heeft maar kort geduurd, dus ik ben nog makkelijk op tijd. Ik weet precies welke lessen ik vandaag heb, in welk lokaal ze worden gegeven en waar die lokalen te vinden zijn. Een fotografisch geheugen is een prachtig ding.
Ik doorkruis in hoog tempo de vele gangen die allemaal in mijn geheugen geprent staan. Nog één bocht en…. Hè? Krijg nou wat… Is die slome nu alweer eerder? Hoe doet hij dat met dat trage schilpadden tempo? Maar voordat ik er verder over kan nadenken, volgen de gebeurtenissen zich heel snel op.
Padje staat tegenover Fred Flintstone, die in alle richtingen twee keer zo groot is als hijzelf. Waarschijnlijk heeft hij zijn woede gewekt, want er groeien spontaan rode vlekken in Fred’s enorme nek. Padje lijkt zich echter van geen kwaad bewust. Hij glimlacht alleen maar vriendelijk. Ik sta te ver weg om te kunnen verstaan wat hij zegt maar het lijkt Fred alleen maar bozer te maken, want de rode vlekken kruipen nu geheel uit zichzelf via zijn neus en ogen naar zijn voorhoofd. Mijn intuïtie slaat alarm. Ontploffingsgevaar! Net als ik bedenk dat ik moet gaan helpen, zie ik de gigantische vuist van Fred omhooggaan. Ik wil schreeuwen, maar mijn waarschuwing eindigt in een onhoorbaar gefluit wanneer ik de lucht uit mijn longen pers. Ik ben te laat. De vuist beweegt zich met grote kracht omlaag en ik zet me schrap voor het geluid van Padjes neusbeen dat verbrijzeld zal worden door zijn eigen bril.
Alleen… dat gebeurt niet. Padje staat op onverklaarbare wijze anderhalve meter verder. Hoe dan? De muur is er echter nog wel en de schreeuw die de gang laat trillen, is niet van mij, maar van een hele grote ouderejaars, die langzaam op zijn knieën zakt nadat hij de muur vol heeft geraakt. Hij wordt toegelachen door een rond jongetje dat met grote vriendelijke ogen het hele tafereel bekijkt. Lang houdt het zijn aandacht echter niet vast en, alsof het allemaal niets met hem te maken heeft, draait hij zich om en gaat in slow motion het klaslokaal binnen. Hij heeft Engels, net als ik.